De oorlogsjaren van Alice

De inval in België van het Duitse leger zette een grote vluchtelingenstroom in gang. Belgen zochten in het buitenland, maar ook in eigen land naar een veilig onderkomen. Alice Casier (°1898) was één van hen. Als jonge vrouw werd zij in 1917 samen met haar kroostrijke familie verplicht om het bezette Handzame (Kortemark, West-Vlaanderen) te verlaten. Benieuwd waarheen die omzwervingen haar leidden? Lees het hier, in een verhaal geschreven vanuit haar standpunt.

De oorlog breekt uit

“Op 4 augustus 1914 luidden de klokken in Handzame. De oorlog was uitgebroken. Al op 31 juli hadden alle opgeroepenen hun regimenten moeten vervoegen.

Ik ben Alice Casier. Op 7 juli 1914 werd ik 16 jaar. Ik ben de tweede oudste dochter van Theophiel en Hermenie Dewilde. Ik had op dat moment vier zussen: Germaine, 17 jaar; Zoë, 14 jaar; Julia, vijf jaar en Margaretha, drie jaar. En drie broers: Reniel, 13 jaar; André, tien jaar en Remi, één jaar. Niemand in ons gezin moest dus soldaat zijn. Mijn vader had een café en hield van paarden. Samen met mijn oudere zus zorgde ik voor mijn broers en zussen want mijn moeder was hoogzwanger. Op 5 augustus om 11 uur ’s avonds werd Michel Leonard geboren. Het ging evenwel niet goed met mijn kleine broer en hij stierf op 28 september, anderhalve maand oud.

Bij ons in de buurt, De Kruisstraat, woonden twee broers en twee zussen van mijn ouders. Het was namelijk zo dat drie zussen Dewilde gehuwd waren met drie broers Casier. Mijn grootouders langs moederskant woonden in het naburig dorp Staden.

Op wat later Schuwe Maandag zal heetten, 19 oktober 1914, vielen de Duitsers met bruut geweld Staden binnen. Er werden 16 burgers geëxecuteerd op de wijk Mispelaareik. De mannen waren er valselijk van beschuldigd dat ze op Duitse soldaten geschoten hadden. Veel van onze dorpsgenoten vluchtten naar Frankrijk, maar ondanks het vele leed stelde mijn familie het steeds uit om te vertrekken.”

Het leven in het bezette Handzame

“Ons dorp werd een echt soldatendorp aan de frontlinie. Overal werden er soldaten ingekwartierd. Op een dag kwamen de soldaten binnen in het huis van nonkel Henri. Ze wilden hun afwas in zijn café doen. Nonkel Henri, tante Prudence en hun vijf kinderen zich gaan verbergen achter hun woning. De Duitse soldaten vonden hen. Ze moesten allemaal terug in huis komen. Nonkel werd afgetast en zijn geld werd afgepakt. Mijn nicht Celina moest een knoop aan een soldatenjas naaien. Ze vertelde mij later dat ze dit gedaan heeft, maar dat ze heel erg bang en verlegen was.

Mijn moeder en tantes wasten voor de soldaten en soms kwamen ze in het café een pint pakken. Bij nonkel Henri lieten ze hun haar knippen of hun baard scheren, want hij was een barbier.

We bleven van de grootste armoede gespaard dankzij het café en de hulp van mijn moeder en tantes, en ook dankzij het kantwerk van mezelf, mijn zussen en mijn nichten. Kantklossen was iets dat we voor de oorlog geleerd hadden op school. In de voormiddag hadden we les gekregen en in de namiddag hadden de zusters ons kantklossen geleerd. De Duitsers waren er erg nieuwsgierig naar en stuurden onze werkjes naar hun familie in Duitsland.

En zo werd het Kerstmis 1914. We vierden het met de bezetter bij onze buurman Aloïs Vandewiele. De kinderen kregen chocolade en al wat goed was en wat we nog nooit gezien hadden. Maar bovenal hoopten we toch dat deze oorlog snel voorbij zou zijn.

Wat we hoopten gebeurde evenwel niet. Onze regio werd een rust- en herstelplaats voor de soldaten. Al zingend en na een schnaps gedronken te hebben, vertrokken de soldaten naar het front. Ze vochten met bajonetten op het geweer. Als het stil was, konden we de soldaten horen huilen en roepen tot bij ons huis.

In mei van 1915 gingen nonkel Henri en tante Prudence in Staden gaan wonen. Ze vonden er een huis met een geit, een koe en werkmateriaal voor wat nu 37 euro zou zijn. De eigenaar van het huis was een man die wilde vluchten uit Staden. En zo woonden ze op twee plaatsen.

In juni 1915 konden we terug naar school die was ingericht in de kerk van Handzame. Maar dat deden we niet. Mijn broers en neven wachtten op de koeien gezien deze overal konden lopen, of ze gingen ergens een stukje land bewerken. Het was hier niemandsland. Wij hielpen onze moeder, maakten verder kantwerkjes of zorgden voor onze nieuwe broertje, Albert (°1915).

Maar oorlog is angst, knagende honger en vooral veel verdriet. Op 16 augustus 1915 werd mijn tante Stefanie weduwe met zes kinderen tussen 14 en één jaar oud. Mijn broer Remi stierf op driejarige leeftijd. Op 27 november 1916 overleed mijn grootvader langs vaderskant, Leo Dewilde. Hij werd 89 jaar. Op 20 juni 1917 werd mijn neef Juliaan Casier gewond aan zijn linkerhand door het ontploffen van een dynamietbuisje. Hij verloor twee vingers en een duim. Hij werd vier weken verzorgd in het Lazaret van de Redemptoristen in Roeselare.”

De vlucht naar Torhout en Gentbrugge

“Eind juli 1917 moesten we verplicht van de Duitsers Handzame en Staden verlaten. Wij vertrokken met vier gezinnen en onze grootouders, maar zonder mijn vader. Theophiel moest blijven en werken voor de Duitsers. We gingen te voet met onze koe richting Hooglede, via de lange hoek van Torhout naar het centrum. We kregen eten van de Duitsers en konden overnachten in het atelier van de burgemeester van Torhout. We sliepen er op strooi. Ook hier heerste er gevaar, en toch ging mijn oude opa te voet naar het kapelletje van Wijnendale om er te bidden. Opa is stierf in de nacht van 18 september 1917 op de zolder in het stro. Hij was 82 jaar. Toen we hem vervoerden naar het kerkhof werden we beschoten en moesten we gaan liggen. Zijn lijk lieten we achter midden op de straat.

Eind september vertrokken we uit Torhout. We moesten drie dagen en drie nachten wachten voor de trein vertrok. Alle mannen moesten achterblijven om te werken voor de Duitsers. Nonkel Henri had zich verstopt in een koffer en tante Prudence ging erop zitten, maar hij werd ontdekt. Hij kreeg slaag van de Duitsers en net zoals mijn neef Odiel Casier moest hij in Torhout blijven om te werken. De Duitsers zegden dat ze ons naar Aalst of Ninove zouden brengen, maar de trein reed uiteindelijk naar Gentbrugge. Daar had burgemeester Maurice Verdonck al op 19 juni 1917 een oproep gedaan om gastvrij vluchtelingen in huis te nemen.

Helaas voor ons was er geen plaats bij familie. Ze brachten ons – 700 personen! – naar de Vellenfabriek van NV Block. Deze was gelegen tussen de Schelde en de Kerkstraat. We kregen er niets anders te eten dan raapkolen, bieten, droog brood en soep. Brood bestond uit zaagsel en aardappel- of koolraappoeder en werd bestrooid met kalk in plaats van bloem. We konden de fabriek niet verlaten maar de grote jongens kropen soms over de poort en liepen naar de bakkerij aan de overkant. Een keer sloegen ze de ramen kapot en pakten het brood mee dat voor het raam lag.

Veel mensen overleden er van de honger en de kou. Op 24 oktober 1917 overleed mijn neef Julius Casier in Het Gesticht. Hij was zo verzwakt dat hij er samen met de oude mensen mocht verblijven. Hij was 12 jaar. Mijn oma, Barbara Sintobin, verbleef er ook en overleed er op 21 november. Ze was 81 jaar.

En of dat nog niet voldoende was, brak er brand uit in de fabriek. Na er 6 weken verbleven te hebben, moesten we dus op zoek naar een nieuw verblijf.”

In het Kasteel Lummersheim in Wondelgem

“We vonden een onderkomen in de Meulestedestraat in Wondelgem. Het waren drie huizen naast elkaar: Tante Prudence en haar kinderen, tante Stefanie en haar kinderen, en ik met mijn moeder, broers en zussen. Er waren in die huizen veel weegluizen (bedwantsen) die in de muren zaten. ’s Nachts verlieten ze hun schuilplaats en vielen ze ons lastig. We konden niet slapen. Dat was niet om uit te houden.

Gent lag in het etappegebied en voor de bedeling waren we afhankelijk van de voedselcomités. De notabelen van de stad maakten er deel van uit. We kregen een kaart op naam en konden om voeding gaan op bepaalde dagen op welbepaalde plaatsen. Producten als tarwe, maïs, erwten, bonen, rijst, spek, reuze, koffie en cacao werden er bedeeld. En in Gent had je ook soepkeukens waar dagelijks soep kon worden gedronken. Tante Stefanie kwam bij één van die heren van de voedselbedeling in de stad: ene mijnheer Lummersheim. Hij had een leegstaand kasteel in Wondelgem en zei dat we daar konden wonen.

In dit kasteel was het zeer goed vertoeven. Meubelen en schone, zachte bedden zoals we nog nooit gezien hadden. November 1917 waren we er met mijn moeder Hermenie, tante Prudence, tante Stefanie en elk van hun kinderen tussen drie en 21 jaar: negen meisjes en negen jongens in het totaal.

De jongste kinderen liepen school in Wondelgem en maakten er vriendjes. Na de oorlog schreven ze elkaar. De grotere meisjes hielpen in het huishouden of maakten kantwerkjes. We deden de was en lieten alles drogen over de balustrade van het terras. De jongens die geen gevaar liepen om te moeten werken voor de Duitsers, gingen tweemaal per week te voet naar Oost-Eeklo om aardappelen. Zes uren stappen. Ze vertrokken ’s morgens vroeg en kwamen laat terug thuis. Onderweg aten ze bij de boeren.

Langs het domein van het kasteel liep de trein. Die reed er zeer traag en soms lagen er dode paarden op de open wagens. Mijn neef Julien sprong dan op de wagon en sneed mooie stukken vlees uit de bil van het paard. Dan konden we allemaal paardenvlees eten, want van de bedeling kregen we maar een bol gemalen vlees per persoon per week. Op het kasteel werkte ook een hovenier. Hij kweekte groenten voor mr. Lummersheim in de stad. Soms kregen wij ook wat verse groenten. Samen met het paardenvlees was dat een feestmaaltijd.”

Alice
Links: het gezin Casier met Alice Casier uiterst rechtsboven, 1918. Foto: Ann Pype. Rechts: het Kasteel Lummersheim in Wondelgem op een postkaart. Foto: Delcampe.

Afscheid en weerzien

“Erger dan de honger was het feit dat we niet wisten waar mijn vader, nonkel Henri en mijn neef Remi waren. De ouders van Remi waren ook gevlucht naar Wondelgem en woonden op wandelafstand van het kasteel, ter hoogte van het station.

Mijn neef Odiel was in Torhout kunnen ontsnappen aan de Duitsers en had ons snel gevonden in Wondelgem. Hij was wel zijn paspoort kwijt en moest altijd op zijn hoede zijn voor de Duitsers.

Mijn broer Reniel had een portie geluk gehad bij zijn opeising. Hij stond klaar met pak en zak toen ze hem kwamen ophalen. De ene Duitser vroeg aan mijn moeder waar ‘Renielde’ was, waarop de ander Duitser zei: ‘Renielde, das ist ein Mädchen.’ In de paar seconden van verwarring had mijn moeder begrepen dat ze dit kon oplossen. Ze hield Reniel die achter de deur stond tegen met haar hand, en de Duitsers gingen weg zonder mijn broer gezien te hebben. Hij is nooit moeten gaan werken voor de bezetter, al moest hij net zoals Odiel steeds opletten om niet gezien te worden.

Eind 1917 was er een blij weerzien. Nonkel Henri en neef Remi Dewilde waren weggelopen van hun werk bij de bezetter. Na lang zoeken en vragen, hadden ze de familie gevonden op het kasteel. Nonkel Henri kon werken in de fabriek van de familie Lummersheim, een teerfabriek in Wondelgem. Hij kreeg één roggebrood per week en een kleine dagvergoeding.

Mijn neef Julien werd opgeëist en kon gelukkig in een zagerij in Gent blijven werken. Hij was nog maar 15 jaar en verdiende 5 mark per dag.

Zo werd het 1918 en kwam ook mijn vader aan in Wondelgem. Ons gezin verliet het kasteel en ging wonen in de Schoolstraat 32. Omdat we nu allemaal terug samen waren, lieten we foto’s maken bij fotograaf A. Harry Nevejans, Vierwegenschestraat 18 te Wondelgem.

Bij tante Stefanie overleed de kleine Ida op 1 mei 1918. Ze was vijf jaar. Neef Jerome, zoon van tante Stefanie, werd opgeëist door de Duitsers. Hij had minder geluk en werd tewerkgesteld in het grensgebied van België voor de aanleg van een spoorweg. Hij was 16 jaar en leefde in Halluin in mensonwaardige omstandigheden. Tot overmaat van ramp, stierf op 30 november 1918 haar zoon, mijn neef Georges Casier. Hij was 9 jaar en overleed ten gevolge van de griep.

Veel tijd om te treuren hadden ze niet. Het kasteel en de omgeving werden beschoten en we trokken weg uit Wondelgem. Een tocht met vele gevaren bracht ons in Lovendegem. We konden er verblijven op een boerderij en later in een bakkerij die leeg stond in het dorp.

In de nacht van 10 op 11 november 1918 hoorden we opeens niets meer. Het was zo stil als in een graf, tot we om 4 uur ’s morgens de mensen hoorden zingen. De oorlog was gedaan. We waren allen zinneloos van blijdschap en we begonnen samen te dansen en te springen. Uitgelaten keerden we terug naar Kasteel Lummersheim in Wondelgem.”

Eindelijk terug naar huis

“Tante Stefanie wou niet langer in het kasteel blijven en vertrok eind november 1918 met de trein via Eeklo en Brugge naar Handzame. Ze kon gaan wonen in een huis van haar schoonbroer.

Op het einde van de maand januari 1919 verliet ook ons gezin het kasteel, samen met tante Prudence, nonkel Henri en hun kinderen. We vertrokken met onze kleren, dekens en wat kleinigheden gebonden op een stootkar die we gekregen hadden. We waren verschillende dagen op weg. De ene trokken de kar en de andere ‘staken’ (duwden) ze. We sliepen op straat, in de dijk of bij een boer. Zoals bij de familie Vergote van café ‘Steenoven’ in Wontergem-Tielt. In Zwevegem stopten we bij de boer waar we onze koe hadden achtergelaten bij onze vlucht. Hij had ze verkocht en dus kregen we er geld voor in ruil.

Toen we eindelijk thuiskwamen in Handzame, bleek ons huis vernield. De pannen waren van het dak. De buitenluiken en deuren vonden we terug.  De eerste nacht sliepen we op de stenen. Daarna konden we beginnen op te ruimen en te herstellen. We bleven echter niet in Handzame wonen. Mijn ouders gingen een boerderij huren van de familie Vanheule, terwijl nonkel Henri met zijn gezin op de Tolhoek ging wonen in Staden, in een huis dat ze hadden gekocht van Oscar Deceuninck.”

Auteur: Ann Pype. Ann is de kleindochter van Alice Casier. Een veel uitgebreider verslag van dit vluchtverhaal kan je lezen op haar blog. Ann wenst in het bijzonder Edmond Crombez en Monique Casier te bedanken voor hun hulp.

Welk verhaal heeft jouw familie te vertellen?

Ga op zoek naar jouw familiegeschiedenis aan de hand van ons stappenplan
en ontdek de spannende verhalen van jouw voorouders.

Download hier onze toolkit!