Leven en dood van een soldaat

Philemon Van Cauteren (1888-1916) was de eerste echtgenoot van Victorine (Maria Victorina) Segers (1891-?), een tante van mijn grootvader. In 1916 was Philemon als gewezen soldaat aan het werk in de oorlogsindustrie in Vierzon-Forges in Midden-Frankrijk. Hij kwam er te overlijden aan verwondingen die hij een jaar eerder had opgelopen aan het front. Die merkwaardige ontdekking in mijn familiegeschiedenis vormde de aanleiding om het verhaal van Philemon te achterhalen.

Het gezin van vader Franciscus en moeder Maria Paulina

Philemon Van Cauteren werd geboren op 12 september 1888 in Ruisbroek (Antwerpen). Zijn ouders waren Franciscus Van Cauteren (°1854) en Maria Paulina Verhasselt (°1859). Zij waren gehuwd op 14 juli 1881 in Willebroek, waar zij toen beiden woonden. Vader was dagloner en moeder dagloonster bij hun huwelijk; in de geboorteakten van de kinderen wordt Franciscus afwisselend als arbeider en werkman genoemd. Het eerste kind, Maria Ludovica, zag het levenslicht op 8 oktober 1882 in de Kaasstraat (nu Heindonksesteenweg) in Willebroek. Dan volgde zoon Florentinus, geboren op 2 mei 1884 in Willebroek. Het jonge gezin was ondertussen verhuisd naar de Appeldonkstraat. Philemon is de derde in rij. Hij kwam ter wereld in Ruisbroek op de Rijweg. Na Philemon volgde zijn jongste broer Guilielmus, geboren op 10 maart 1892 in de Broekstraat nr. 11 in Blaasveld. In 1895 verhuisde de familie naar Heindonk. Daar werd dochter Maria geboren op 14 februari 1896. Hun adres was sectie A nr. 47. De boreling was echter niet levensvatbaar en stierf dezelfde dag. Op 10 mei 1899 werd in Heindonk nog een dochtertje geboren, Rosalia.

Hoogstwaarschijnlijk was het geen welvarend gezin. Vader en moeder waren analfabeet, zoals blijkt uit de huwelijksakte en de geboorteakten van de kinderen. Ook het feit dat het gezin veelvuldig verhuisde binnen een relatief korte tijd doet vermoeden dat vader Franciscus steeds naar werk op zoek ging om zijn gezin te onderhouden. Over de kindertijd van Philemon weten we niets. Het is niet zeker of hij schoolliep.

Moeder Maria Paulina hertrouwt

Op 17 september 1899, zeven maanden na de geboorte van baby Rosalia, overleed vader Franciscus te Heindonk. Oh ramp! Hij was slechts 45 jaar oud, en wordt in de begraafakte als landbouwer vermeld. In welke omstandigheden of waaraan Franciscus overleed, dat hebben wij niet gevonden. ‘Onze’ Philemon was enkele dagen voordien net 11 jaar geworden. Zijn oudere zus en oudere broer waren respectievelijk 17 en 15. Moeder Maria Paulina vertrok na enkele maanden uit Heindonk met haar vijf kinderen. Op 5 april 1900 werd zij heringeschreven in Willebroek. Het gezin woonde opnieuw in de Kaasstraat. Moeder was dan huishoudster, Maria Ludovica en Florentinus waren beiden dagloners.

Ongeveer een jaar later, op 27 april 1901, hertrouwt moeder, Maria Paulina te Willebroek met Petrus Josephus Goossens (°1854), wonend in Wilrijk maar geboren in Wolvertem (Vlaams-Brabant). Bij hun huwelijk was moeder huishoudster en haar nieuwe echtgenoot dagloner. Dat er armoede heerste in het gezin van Philemon kunnen we afleiden uit het bijgevoegde bewijs van behoeftigheid van de bruid, bij haar huwelijk met Goossens.

De oudste dochter, Maria Ludovica, trouwde zeven maanden nadat haar moeder hertrouwde, op 30 november 1901 te Willebroek, met Joseph Charles Blockhuys. Het kersverse paar vertrok twee weken later naar Mechelen, naar de Auwegem Winketstraat nr. 20. Hun definitieve uitschrijving in Willebroek gebeurde op 9 januari 1902. Maria Ludovica legde daarvoor een verklaring af bij de bevolkingsdienst: het armenbestuur van Heindonk had voor haar en haar man een woning gezocht. Kunnen we hieruit opmaken dat zij noodgedwongen naar Mechelen verhuisden?

Vrijwillige diensttijd en een eigen gezin

Vermoedelijk zal het gezin Van Cauteren/Goossens het financieel nooit breed gehad hebben. Vandaar misschien de keuze van Philemon om zich op 21 mei 1909 te laten aanwerven als ‘vrijwillige militair’ met premie (VaP). Hij was dan bijna 21 jaar oud. Bij zijn aanmelding en keuring in Mechelen kunnen we in zijn militaire dossier lezen dat Philemon aangaf werkzaam te zijn als dagloner en in de Kaasstraat nr. 36 te wonen. Tijdens zijn opleiding tot militair merken we dat hij telkens voor verlofdagen terugkeerde naar dit adres. Was er eindelijk enkele jaren stabiliteit voor het gezin?

Na de medische keuring te Mechelen werd Philemon goed bevonden voor een dienst bij de 1e Jagers te Voet. Op 1 augustus 1909 vat hij zijn dienst aan in de kazerne te Charleroi, waar de 1e Jagers te Voet gekazerneerd waren en waar de soldaten werden opgeleid. Blijkbaar verliep Philemons militaire opleiding zonder grote problemen. Toch lijkt hij een minder goede gezondheid te genieten, want tijdens zijn diensttijd werd hij enkele malen opgenomen in het ziekenhuis. In 1912 zat de opleiding erop en keerde hij terug naar Willebroek. Wat hij dan deed voor zijn levensonderhoud weten we niet.

Op 22 november 1913 huwde Philemon in Willebroek met Maria Victorina Segers, zonder beroep. ‘Victorine’, zoals ze blijkbaar wordt genoemd, werd geboren op 25 maart 1891 in de Dorpstraat te Willebroek. Haar moeder, Maria Catharina Van Moer, was dan 18 jaar, ongehuwd en zonder beroep. Op 31 oktober 1893 huwde Maria Catharina met Henricus Segers: Maria Victorina Van Moer werd zo gewettigd tot Maria Victorina Segers. Het eerste kindje van Philemon en Victorine werd geboren op 6 juli 1914 te Willebroek: zij kreeg de naam Maria Florentina.

Het oorlogsgeweld

De jonge vader kon niet lang genieten van zijn eerste kind. Drie weken na haar geboorte, op 1 augustus 1914, werd hij reeds terug onder de wapens geroepen. Het 1ste Jagers te Voet werd bij aanvang van de Eerste Wereldoorlog opgesplitst en zo komt Philemon terecht bij het 4e Jagers te Voet. Vanuit het depot in Charleroi werd het 4e Jagers te Voet eerst naar Hoei (Huy, bij Namen) gestuurd. Vanaf 5 augustus 1914 streden ze te Namen, bij de verdediging van de forten. Dan vochten ze te Sart-Tilman (bij Luik), ter versterking van de 3de Divisie, waarbij ze grote verliezen leden. Daarna verdedigden ze de fortengordel van Antwerpen. Bij de verdediging van Antwerpen namen zij deel aan de uitvallen van 24 augustus en 9 september 1914.

Later trok het 4e Jagers te Voet zich terug richting de IJzer. Vanaf 14 oktober 1914 verdedigen ze het front Schoorbakke-Tervate. Daarna namen zij deel aan de strijd in de sector Pervijze-Kaaskerke. Gedurende de loopgrachtenoorlog bezetten zij meerdere plaatsen aan de frontlijn. Eenmaal achter de IJzer nam Philemon deel aan de slag van de IJzer van midden oktober tot eind oktober 1914. Het leverde hem postuum de IJzermedaille op. Hij liep tweemaal verwondingen op. Vermoedelijk waren die niet zo heel ernstig, want hij keerde telkens terug naar het front. Op 3 september 1915 echter, tijdens gevechten te Pervijze (vandaag deel van Diksmuide), werd Philemon een derde keer gewond. Ditmaal liep hij een zeer ernstige verwonding aan de buik op.

Philemon
Ernest Brooks: de beroemde verpleegsters Mairi Chisholm and Elsie Knocker (de "Madonna's van Pervijze") verzorgen een gewonde soldaat in Pervijze, bij Diksmuide, 1917. Foto: Imperial War Museums.

Zwaargewond en ongeschikt verklaard

Gewonden werden uitgezocht en getrieerd naargelang de ernst van hun verwonding. Lichtere blessures werden eerst behandeld. Immers, een aantal soldaten konden kort na verzorging terugkeren naar het front, waar zij dringend nodig waren. Zware verwondingen, zoals in de buik, werden als laatsten behandeld. De reden? Het infectiegevaar was heel groot, de behandeling vroeg veel tijd van chirurgen en verpleegkundigen, en meestal overleden deze soldaten later alsnog aan hun verwonding. Brutaal gesteld, stak men er dan liever tijd en moeite in om nog ‘bruikbaar’ kanonnenvlees terug “vechtensklaar” te maken.

Philemon werd dus een eindje achter de linies gebracht voor de eerste verzorging. We kunnen ons voorstellen dat het ‘wachten’ op je beurt voor behandeling niet bepaald een pretje was voor de zwaargewonden. Het is bijna niet te geloven dat er soldaten waren die dat overleefden, gezien het grote risico op infecties.

Gebruikelijk werden de gewonde soldaten per trein overgebracht naar de Franse havenstad Calais. Vanuit Calais ging het dan per boot naar Engeland of naar Cherbourg in Normandië. In Cherbourg kon dan de ‘echte’ behandeling starten. Op 17 september 1915, twee weken na het oplopen van zijn verwonding, werd Philemon inderdaad doorverwezen naar het Belgisch militaire hulphospitaal voor de Cavaleriedivisie (nr. 9) dat zich te Cherbourg bevond. Op 8 november 1915, een anderhalve maand later, werd Philemon ontslagen uit het hospitaal. Hij kreeg verlof zonder soldij, wegens ‘réformé pour incapacité totale’ ofwel ‘afgekeurd wegens totale ongeschiktheid’ voor het leger.

Oorlogsindustrie in Midden-Frankrijk

Victorine, de echtgenote van Philemon, was in 1914 Willebroek ontvlucht, samen met hun dochtertje en met haar moeder, Maria Catharina Van Moer, die ondertussen weduwe was geworden. Wanneer, hoe en langs waar zij reisden, dat weten we niet. Vast staat dat Victorine Segers en haar gevolg op één of andere manier tot in het midden van Frankrijk geraakten. Daar sloeg het noodlot eens te meer toe. Op 12 december 1914 overleed het vijf maanden oude dochtertje Maria Florentina in de stad Bourges. En weer kennen we de omstandigheden niet…

In zijn militaire dossier vernemen we dat Philemon, na zijn ontslag uit het ziekenhuis te Cherbourg, gemobiliseerd werd voor de oorlogsindustrie door de Minister van Oorlog, die zich toen bevond in St. Adresse, te Le Havre. Op 15 mei 1916 werd hij tewerkgesteld in Vierzon-Forges, niet ver van Bourges, in Midden-Frankrijk. Op de één of andere manier vond het echtpaar Van Cauteren-Segers elkaar daar terug, maar we weten niet in welke omstandigheden. Wel kennen we het adres waarop Victorine en haar moeder in Vierzon-Forges verbleven: Rue Etienne Marcel, nog steeds één van de hoofdstraten daar. Woonde Philemon hier ook of werd hij elders ondergebracht?

Vierzon
De Place de la République te Vierzon op een postkaart verstuurd op 31 juli 1905. Foto: Wikimedia.

In Vierzon-Forges werkte Philemon als paswerker – een gespecialiseerd technicus – in de fabriek ‘Société La Vierzonnaise de Construction’ (in de volksmond ‘La Vierzonnaise’ genoemd), aan de Route de Bourges. Oorspronkelijk werden daar landbouwmachines geproduceerd, maar we twijfelen eraan dat dat ook tijdens de oorlog het geval was. We vermoeden eerder dat er gewerkt wordt voor de Belgische oorlogsindustrie, vermits het Belgische leger Philemon naar daar had gestuurd.

Philemon zou op dat moment zwaar invalide geweest zijn. Op 3 september 1916 klom hij een ladder op om een ontkoppelingsdraad opnieuw te bevestigen. Hij viel en kwam terecht op zijn één jaar voordien opgelopen buikwonde. Het gevolg? Een kneuzing van het abdomen, gevolgd door een algemene buikvliesontsteking. Hij werd naar het hulphospitaal nr. 45 in Vierzon-Forges gebracht, waar hij vier dagen later, op 7 september 1916, overleed. Het was zijn vrouw Victorine die samen met haar moeder het overlijden aangaf op het stadhuis van Vierzon-Ville. Philemon werd op het plaatselijke kerkhof begraven, op het militaire ereperk, en rust daar tot de dag van vandaag.

Terug in Willebroek

Na het overlijden van haar echtgenoot, ontdekte Victorine dat ze ongeveer één maand zwanger was. Op 19 april 1917 werd het dochtertje van Victorine en Philemon geboren in Vierzon-Forges: zij kreeg de naam Maria Van Cauteren.

Tien maanden later, op 23 februari 1918, hertrouwde Victorine in Vierzon-Ville met Henri Van Dessel uit Willebroek. Op welke manier Henri in Vierzon terechtkwam, weten we nog niet. Een jaar later bevond het echtpaar Van Dessel-Segers zich opnieuw in Willebroek. Daar werd op 23 april 1919 hun dochter Sofia Andrea Van Dessel geboren. Victorine had geen woning meer bij haar terugkeer, want kennelijk werd die vernield aan het begin van de oorlog. Nog eind 1920 woonde zij met haar gezin in de Palingstraat (de latere Overwinningsstraat), in barak (noodwoning) nr. 6403, op het terrein Vijverhof. Dit was tussen de Floridastraat en het kapelletje Ten Bosch gelegen, op de hoek van de Oude Dendermondsestraat, op de gronden van de voormalige villa Vijverhof. Wegens de grote woningnood na WOI werden daar noodwoningen opgetrokken.

Van de haardstede van het comiteit “Hulp en Bescherming” kreeg Victorine geen vergoeding. Dat ze een vastberaden en doorzettende vrouw was, maken we op uit het vervolg van het dossier van haar overleden echtgenoot. Ze schreef herhaaldelijk om aan te vragen waar ze recht op had. In die brieven stelde Victorine dat het vooral voor haar dochtertje Maria is, die haar vader nooit zal kennen, dat haar alle medailles en de eraan verbonden voordelen moeten worden toegekend. Wanneer zij lid werd van de Socialistische Oud-Strijdersbond in Willebroek, kwam er schot in de zaak. Op 25 april 1921 werd haar één frontstreep toegekend. Er werd vastgesteld dat Philemon van 1 augustus 1914 tot 7 september 1915 aan het front verbleef: één jaar, één maand en zeven dagen, waarvoor zij rente zou krijgen. Ondertussen had ze ook een toelage van 300 frank ontvangen. Op 9 mei 1922 vulde Victorine nieuwe formulieren in en nog enkele jaren later, op 4 maart 1926, schreef Victorine naar de Minister van Landsverdediging om de ‘eretekens’ van Philemon aan te vragen als aandenken. Die heeft ze ook ontvangen. Victorine woonde op dat moment in de Overwinningsstraat 126.

Hoe het verder is gegaan met Victorine en haar gezin? Dat zoeken we nog uit…

Auteur: Annie Van Dessel. Door haar tweede huwelijk met Henri Van Dessel, werd Victorine Segers de tante van de grootvader van Annie Van Dessel.

Welk verhaal heeft jouw familie te vertellen?

Ga op zoek naar jouw familiegeschiedenis aan de hand van ons stappenplan
en ontdek de spannende verhalen van jouw voorouders.

Download hier onze toolkit!