2. Migratie naar Wallonië

Auteur: Yves Quairiaux

In grote lijnen

De Vlaamse aanwezigheid in Wallonië beperkt zich niet tot de arbeidsimmigratie van de 19de en 20ste eeuw. Ze omvat verschillende vormen en begon reeds in de late middeleeuwen. Namen van straten, wegen en gehuchten in Wallonië getuigen vandaag nog van een Vlaamse invloed (bijvoorbeeld in Bellecourt, Glabais, Hennuyères, Rebecq-Rognon, Waver…). Sommige van deze Waalse plaatsnamen zijn enkel te verklaren door de instroom van Vlaamse vrachtvervoerders die Wallonië doorkruisten tijdens het Ancien Régime. De ontwikkeling van de steenwegen onder het bewind van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia tijdens de 18de eeuw leidde tot het ontstaan van stop- en rustplaatsen, ijzersmederijen en herbergen in Wallonië. Deze werden uitgebaat door Vlamingen om hun doortrekkende streekgenoten van dienst te zijn.

Als voorbeeld van een straatnaam vermelden we de ‘Impasse des Flandres’ te Gosselies, die zo genoemd werd door een beslissing van de gemeenteraad in 1874, “aangezien het merendeel van de families die er wonen van Vlaamse oorsprong zijn”. De gemeente Eigenbrakel deed hetzelfde in 1910 door een straat waar Vlaamse wevers en hun families woonden de ‘rue des Flamands’ te dopen.

Volgens een wijdverspreide publieke opinie in Wallonië, waren de Vlamingen die in de 19de en 20ste eeuw in Wallonië kwamen wonen nederig van inborst en toegewijd aan hun werk in de industrie en op het platteland. Toch waren het niet enkel arbeiders die de weg naar Wallonië vonden. Onder de Vlaamse emigranten waren ook – in niet te verwaarlozen aantallen – ambtenaren, katholieke leraren, industriëlen en handelaars. Maar deze sociale categorieën, die snel opgingen in de Franstalige burgerij, zijn niet te bespeuren in de Waalse beeldvorming omdat ze niet het massale karakter van de arbeidersimmigratie hadden.

De emigratie van Vlaamse arbeiders naar Wallonië daalde sterk vanaf de jaren 1960. Oorzaken van deze daling waren enerzijds de neergang van de traditionele industrietakken en anderzijds de economische heropleving van Vlaanderen. Vanaf dan was de nood aan werk voor Vlamingen niet langer een hoofdreden om zich te vestigen in Wallonië (vooral in de nabijheid van de taalgrens of in de Ardennen). Als vandaag vele Vlaamse families ervoor kiezen om zich te vestigen aan de Waalse zijde van de taalgrens, dan is dat voornamelijk voor de meer prijsvriendelijke gronden in een landelijk gebied. Zie bijvoorbeeld het gehucht des Bruyères in Beauvechain (Waals-Brabant).

Ambulante migratie

De arbeidsmigratie vanuit Vlaanderen naar Wallonië nam diverse vormen aan tijdens de 19de en 20ste eeuw. De ambulante migratie is daarbij de oudste vorm. Ambulante immigranten waren bijvoorbeeld de Vlaamse vrachtvervoerders en handelsreizigers die de Waalse markten bezochten. Vandaag vindt men ze nog in grote aantallen terug in de voedingssectoren en in de tuinbouw.

De tweede vorm van ‘Vlaams nomadisme’ kwam er via de grote spoor- en waterwegeninfrastructuur, die in Wallonië aangelegd werden tot aan de Eerste Wereldoorlog. De wegenwerkers die hiervoor aangeworven werden, logeerden in zogenaamde cambuses: dit waren barakken die afgebroken en weer opgebouwd werden naargelang de werkzaamheden zich verplaatsten. Sommige van deze handelaars en werklieden vestigden zich definitief in Wallonië. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de ambulante handelaars die zich vestigden te Quaregnon. Hun aanwezigheid in Quaregnon zorgde reeds voor de Eerste Wereldoorlog voor een heus Vlaams stadsdeel. In deze categorie van de ambulante migranten kunnen ook de steenbakkers en de bouwvakkers vermeld worden, maar daarin waren de Vlamingen niet als enigen gespecialiseerd. Deze sectoren hebben overigens sterk aan belang ingeboet tijdens de laatste decennia.

Tijdelijke of definitieve migratie

De tijdelijke en definitieve migratie van Vlaanderen naar Wallonië wordt enerzijds verklaard door de groeiende noden van de Waalse industrie aan arbeidskrachten en anderzijds door de endemische armoede die Vlaanderen teisterde tijdens de 19de eeuw. We stellen een eerste, eerder bescheiden emigratiegolf vast in de jaren 1850, die te wijten is aan de economische crisis in Vlaanderen.

In de jaren 1870 doet zich een daling voor in de emigratie, veroorzaakt door de economische conjunctuur en door de introductie van de spoorwegabonnementen voor arbeiders, waardoor Vlamingen gemakkelijker naar het werk in Wallonië konden pendelen. De emigratiebeweging komt echter sterk op gang tijdens het volgende decennium, ca. 1880-1890. Hier moet de landbouwcrisis in beeld gebracht worden en de bijhorende daling van landbouwgronden en weiden, waardoor de armoede in de rurale gebieden dramatische proporties aannam.

Het gebrek aan mankracht in de Waalse steenkoolmijnen bracht de ontginningsbedrijven ertoe een tewerkstellingscampagne op poten te zetten. Sommige bedrijven bouwden zelf zogenaamde ‘fabrieksdorpen’ en lanceerden een publiekscampagne die de voordelen van een behoorlijk onderkomen en een vast loon in de verf zetten. Een bekend voorbeeld is Bois-du-Luc. Anderen stuurden rekruteringsagenten naar het Vlaamse platteland. De schaarste liet zich vooral voelen in de tewerkstelling van de minst geschoolde arbeiders.

Toen de wet van 1889 de kinderarbeid (voor kinderen van minder dan 12 jaar) verbood, verergerde de situatie. Dat bracht twee glasfabrieken in Manage en Morialmé ertoe om gastverblijven in te richten die specifiek gericht waren op de huisvesting van Vlaamse adolescenten tussen 12 en 15 jaar. Het gebrek aan Waalse technici in bepaalde beroepen verklaart de komst van gespecialiseerde Vlaamse werklieden. Dat is het geval voor de touwslagerijen in het Waalse mijnbekken waar touwslagers uit Hamme tewerkgesteld werden, voor de scheepsschrijnwerkers uit Baasrode (bijvoorbeeld te La Louvière) en voor de Gentse wevers die men met hun families terugvond in Verviers en in de vallei van de Hain. Statistisch gesproken echter vertegenwoordigden deze categorieën van immigranten uit Vlaanderen slechts een zeer kleine minderheid.

Bois-du-Luc
De mijnsite van het Bois-du-Luc te Houdeng-Aimeries (bij La Louvière, Henegouwen). © Jean-Pol Grandmont, via Wikimedia

Pendelmigratie

Deze vorm van immigratie nam pas in belang toe vanaf de introductie van de treinabonnementen voor werknemers in 1870 en vooral na 1887, wanneer er nieuwe treinabonnementformules ingevoerd werden (dagelijks, wekelijks, per seizoen…).

De tellingen van ambachten en nijverheden in 1896 en 1910 en de enquêtes van Ernest Mahaim laten toe dit fenomeen beter te bestuderen, zowel op kwantitatief vlak als op cartografisch vlak. Op het gebied van de beeldvorming die deze pendelaars genereerden, moeten we een zeer duidelijk onderscheid maken tussen de dagelijkse pendelaars en de wekelijkse pendelaars.

In 1910 telde men 12.301 Vlaamse pendelaars, onderverdeeld in 5395 voor Henegouwen, 3506 voor Luik, 3259 voor Waals-Brabant, 126 voor Namen en 15 voor Luxemburg. Proportioneel gezien is het dus Waals-Brabant die het hoogste cijfer haalde. Het is tevens de enige provincie die een aanzienlijk aantal arbeiders verwelkomde (27,4%), voor het merendeel tewerkgesteld in de textielindustrie en de chemiesector. In Henegouwen en Luik was de ontginningsindustrie het best vertegenwoordigd, gevolgd door de metallurgie en de bouwsector.

Seizoensmigratie en landbouwmigratie

De seizoensmigratie is de seizoensgebonden verplaatsing van landbouwers, die elk jaar de graan- en bietenboerderijen in Frankrijk en Wallonië bevolkten. Het fenomeen begon in het midden van de 19de eeuw en nam een hoge vlucht na 1875. Het stopte pas met de veralgemening van de mechanisering van de landbouw in de jaren 1960.

De permanente vestiging van Vlaamse landbouwers in Wallonië is een relatief recent verschijnsel. We onderscheiden niettemin de eerste sporen ervan vanaf het einde van de 19de eeuw. Het betrof welgestelde landbouwers die op zoek waren naar nieuwe gronden, die minder duur waren dan deze in Vlaanderen. De beweging hernam na de Eerste Wereldoorlog, vooral vanaf 1930. Een derde, duidelijk meer omvangrijke golf, manifesteerde zich na de Tweede Wereldoorlog. Dit fenomeen wordt tegelijk verklaard door het zeer hoge geboortecijfer binnen de Vlaamse landbouwersfamilies en door de moeilijkheid om nieuwe gronden te verwerven. In 1978 telde het Nationaal Instituut voor Statistiek (NIS) in Wallonië 3.200 landbouwers die in Vlaanderen geboren waren, wat overeenstemt met 8 % van het totale aantal landbouwers in Wallonië. Ze vestigden zich hoofdzakelijk in Henegouwen en in Waals-Brabant.

Probleem: de kwantificering

De meting van Vlaamse immigratie in Wallonië op een wetenschappelijk en exhaustieve wijze is een quasi onmogelijke opdracht. Daarvoor zou men systematisch de bevolkingsregisters van de Waalse gemeenten – zoals ze bijgehouden werden vanaf 1846 – moeten uitpluizen. Zelfs via het uitvoeren van steekproeven zou zo’n werk de capaciteiten van een individuele onderzoeker te buiten gaan.

Sedert 1931 beschikken we echter over statistieken die toelaten de migratiestromen tussen de verschillende Belgische regio’s te beschrijven (vandaag Statbel, vroeger NIS en ADSEI, ‘Binnenlandse migraties’). Het onderzoek wordt nog vergemakkelijkt omdat sinds 1984 een Rijksregister van de natuurlijke personen gecreëerd werd. Deze gegevens werden echter tot nu toe nog niet onderzocht om de binnenlandse migraties in België grondiger te in kaart te brengen, zowel op ruimtelijk als op chronologisch vlak. Dit weerhield bepaalde auteurs er niet van om het cijfer van 500.000 inwoners van Vlaamse origine in Wallonië naar voren te schuiven, op een totale bevolking van 3.546.329 inwoners (januari 2013). Dit cijfer wordt geciteerd in de Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1998), maar deze schatting is wellicht te hoog. Volgens een analyse van de familienamen in Wallonië, op basis van het Nationaal Register, zijn slechts vijf van de 100 meest voorkomende patroniemen in Wallonië van Vlaamse oorsprong : Janssens (61ste plaats), Peeters (73ste), Maes (76ste), Willems (77ste) et Mertens (86ste).

Voor wat de oudste periodes betreft, moeten we ons tevreden stellen met het teruggrijpen naar steekproeven. Wij verkozen het taalkundige pad om onze telling op te baseren, vertrekkend van de volkstellingen van 1846-1947. Deze taalkundige aanpak werd gecombineerd met een analyse via een naamkundige indicator, uitgewerkt door twee demografen van de Université Catholique de Louvain (Poulain en Foulon, zie Meer weten?). We hebben meer bepaald de gegevens bestudeerd die verzameld werden naar aanleiding van de volkstellingen van 1846, 1866, 1880, 1890, 1900 et 1910. Voor elk huidig Waals arrondissement hebben we de eentalig Nederlandstaligen en de tweetaligen (Nederlands-Frans) geteld en deze beschouwd als hoofdzakelijk van Vlaamse oorsprong.

De volkstelling van 1846

In de telling van 1846 kwamen enkel in de provincies Henegouwen en Luik een opvallend aantal inwoners van Vlaamse oorsprong voor. Voor Henegouwen overschreden de arrondissementen het dichtst bij de taalgrens de grens van 1 % bevolking van Vlaamse origine (Soignies: 3,17 %, Tournai: 1,75 % en Ath: 1,47 %). Deze minderheid situeerde zich hoofdzakelijk in de Nederlandstalige gemeenten die aan het verfransen waren, zoals Enghien/Edingen in het arrondissement van Soignies. De grootstad Luik herbergde een belangrijke Vlaamse minderheid die een oude traditie verderzetten. Deze traditie was verbonden aan het historische kerkelijke Prinsbisdom Luik, dat ook Limburg omvatte. In het arrondissement van Verviers (6,43 %), waren er gemengde gemeenten, waarvan sommigen in 1846 een meerderheid Nederlandstaligen hadden, waaronder Aubel.

De volkstellingen van 1866 tot 1910

De periode 1866-1910 kende een algemene stijging van de Vlaamse aanwezigheid in Wallonië. De Vlamingen woonden hoofdzakelijk in de koolmijnbekkens in Centraal-Wallonië, Charleroi en Luik, evenals in de Basse Sambre en – in mindere mate – in de Borinage. In Tilleur, in het Luikse bekken, bereikte hun aantal 27 % in 1866. Hier moet ook Waals-Brabant aan toegevoegd worden, waar de relatieve stijging het grootst was. Enkele voorbeelden: te Gilly overschreed het aantal eentalig en tweetalig Nederlandstaligen de kaap van 20 % in 1866. In Waals-Brabant vestigden de Vlaamse families zich in de nabijheid van de fabrieken waar ze werkten: te Tubize-Clabecq, in de vallei van de Hain et in de regio’s van de spoorlijn Aarschot, Leuven, Ottignies, Charleroi. In de provincies Namen en Luxemburg bleef de Vlaamse aanwezigheid beperkt. Enkel in de stad Namen zelf verbleef een niet onaanzienlijk aantal clerici, functionarissen, leraars en handelaars van Vlaamse oorsprong (meer dan 6 %). De Vlaamse invloed in het arrondissement Verviers daalde daarentegen, omwille van de verfransing van de gemeenten waar voorheen een Nederlandstalige meerderheid woonde en omwille van de beperkte tewerkstelling van Vlaamse arbeiders.

De volkstellingen van 1910 tot 1947

In de periode 1910-1947 zetten de vroegere tendensen uit vorige tellingen zich algemeen voort in de provincies Henegouwen (meer dan 8 % in 1947) en Luik (9 % in 1947), met een lichte globale stijging. Desondanks zien we een daling van het aantal Nederlandstaligen in de gemeenten dicht bij de taalgrens. In Waals-Brabant is de stijging echter spectaculair: we gaan van 4,7 % inwoners van Vlaamse origine in 1910 naar 12,7 % in 1947. De stijging is ook merkbaar in de provincie Namen, die van 1,5 % in 1910 gaat naar 4 % in 1947. Wat Luxemburg betreft, stijgt het aantal Nederlandstaligen er van 0,7 % in 1910 tot 1,7 % in 1947.

Regio’s van herkomst en verspreiding

De regio’s van oorsprong van de Vlaamse immigranten in Wallonië zijn te traceren vanaf het midden van de 19de eeuw. Eerst waren dit de gemeenten van Oost- en West-Vlaanderen die erg leden onder de crisis in de ambachtelijke linnennijverheid. De arrondissementen Aalst, Oudenaarde, Roeselare en Tielt vertoonden in deze periode negatieve migratiesaldi, overwegend in het voordeel van Wallonië. De Waalse industrie vormde ook een ideale aantrekkingspool voor overbevolkte landbouwgebieden. We halen als voorbeeld het Hageland aan, dat duizenden arbeiders richting het Zwarte Land stuurde. Meer naar het oosten was het de provincie Limburg – meer bepaald Sint-Truiden, Tongeren en omstreken – dat aan het Luikse bekken de arbeidskrachten bezorgde die men daar tekortkwam.

De assen waarlangs de Vlamingen hun weg vonden naar Wallonië werden deels bepaald door het traject van de spoorwegen. Daarbij zijn ook de buurtspoorwegen inbegrepen die Vlaanderen verbonden met de Waalse industrie: Gent-Geraardsbergen-La Louvière-Haine-Saint-Pierre; Aarschot-Leuven-Ottignies-Charleroi; Landen-Fleurus; Sint-Truiden en Tongeren naar Luik.

De Vlaamse immigranten vestigden zich dikwijls in dezelfde buurten: bijvoorbeeld Le Hocquet te La Louvière, Taillis-Prés te Châtelineau en Ans Haut-Pré te Ans. De concentratie aan inwoners die oorspronkelijk uit Zele kwamen gaf in Louvy te Gilly (Charleroi) deze buurt zelfs de bijnaam “Klein Zele”.

  • Meer weten?

    • Goddeeris, Idesbald en Hermans, Roeland, red. Vlaamse migranten in Wallonie, 1850-2000. Leuven: Lannoo, 2011.
    • Poulain, Michel en Foulon, Michel. “L’immigration flamande en Wallonie: Évaluation à l’aide d’un indicateur anthroponymique.” Belgisch tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, 12, nr. 1-2 (1981): 205-244.
    • Quairiaux, Yves. L’image du Flamand en Wallonie: Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914). Bruxelles-Loverval: Labor, 2006.
    • Quairiaux, Yves. “Migrants flamands en Wallonie avant 1914.” In Histoire de la population de la Belgique et de ses territoires: Actes de la Chaire Quetelet 2005, red. Patrick Deboosere, Thierry Eggerickx en Jean-Paul Sanderson: 337-364. Louvain-la-Neuve: Presses Universitaires de Louvain, 2010.

Welk verhaal heeft jouw familie te vertellen?

Ga op zoek naar jouw familiegeschiedenis aan de hand van ons stappenplan
en ontdek de spannende verhalen van jouw voorouders.

Download hier onze toolkit!