3. Migratie naar Frankrijk

Auteur: Saartje Vanden Borre

Mobiliteit tussen (het latere) België en Frankrijk is een eeuwenoud fenomeen. Vanuit onze contreien gingen landloze boeren aan de slag als loonarbeiders bij Franse herenboeren, traden meisjes in dienst als huispersoneel bij burgerlijke gezinnen, en trokken jongeren naar de stad in de hoop er op te klimmen op de sociale ladder.

Met de industriële revolutie tijdens de 19de eeuw veranderden de traditionele migratiepatronen. De concentratie van industrie in verstedelijkte gebieden – zoals het Noord-Franse arrondissement Lille (Rijsel) – ging gepaard met een inwijking vanuit het Franse en Belgische hinterland. Op het einde van de 19de eeuw waren er zo’n 500.000 Belgen in Frankrijk gevestigd. Ruim 70 procent van hen woonden in de noordelijke departementen van Le Nord, Pas-de-Calais en Ardennes. Daarnaast vormde ook Parijs een aantrekkingspool.

Belgen werkten hoofdzakelijk in de textielfabrieken van de regio Lille-Roubaix-Tourcoing, in de mijnbouw van Pas-de-Calais en in de haven van Dunkerque (Duinkerken). Heel wat onder hen zetten hun eigen handeltje op of baatten een café uit na hun dagtaak in de fabriek. Hun aantallen werden aangevuld met de seizoensarbeiders, verspreid over Franse bouwwerven of op de uitgestrekte velden van de landbouwbedrijven ten noorden van Parijs.

Na de Eerste Wereldoorlog betrokken Belgische boerenfamilies de leegstaande landerijen in de Loirestreek, in Normandië en elders. Tot ver in de 20ste eeuw bekommerde het katholieke Werk der Vlamingen zich om het zielenheil van die geïsoleerde Belgische landbouwers. De Belgische migratie naar Frankrijk doofde uit vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw.

Grensarbeiders
Agentschap Waro: Grensarbeiders in Menen op weg naar Frankrijk, 1930. Gent: Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis. © Amsab-ISG

Administratieve rompslomp

Sinds jaar en dag hield Parijs zicht op elk individu dat de staatsgrens was overgestoken. Tot in het begin van de 19de eeuw betekende dit elke reiziger zich moest wapenen met een officiële reistoelating vooraleer fysiek de Franse grens over te steken. Tijdens de Restauratie (1814-1830) werd deze migratiecontrole verschoven van het moment van grensovergang naar de eigenlijke vestiging in Frankrijk. Elke nieuwkomer hoorde zich kort na aankomst te melden bij de gemeentelijke autoriteiten.

De volgende decennia werd de maatregel weinig systematisch opgevolgd, tot in 1851 Louis Napoleon – de latere keizer Napoleon III – bevestigde dat elke vreemdeling zijn aanwezigheid binnen de drie dagen na aankomst kenbaar moest maken op het stadhuis (de zogenaamde déclaration de résidence). De formulieren werden op het stadhuis opgemaakt en via de prefectuur naar Parijs gestuurd, waar het ministerie van Binnenlandse Zaken het laatste woord had over de toekenning van een verblijfsvergunning. Op basis van de gegevens die het ministerie op die manier verkreeg, stelde zij in 1851 voor de eerste maal vreemdelingenstatistieken op.

Een steeds strenger vreemdelingenbeleid

De strenge hand van het Tweede Keizerrijk (1852-1870) slaagde erin de verplichte verblijfsregistraties voor vreemdelingen gedurende een tiental jaar af te dwingen. Maar vanaf de jaren 1860 trok het regime voorzichtig de liberale kaart: handel, goederen, mensen mochten in vrijheid circuleren. De richtlijn van 1851 werd bewust achterwege gelaten, tot frustratie van sommige grensgemeenten die droomden van de tijd toen ze de armlastige vreemdelingen in hun omschrijving tenminste nog bij naam kenden.

Tijdens de Derde Republiek (1870-1940) groeide de wrevel onder de stemgerechtigde Franse arbeidersbevolking recht evenredig met de economische crisis. Hun woede richtte zich tegen de vreemdelingen: Italianen in het zuiden, maar ook Belgen in het noorden. Die nieuwkomers brachten hun taal, gewoontes en kinderen mee. Ze “pikten Franse jobs in” en bovendien vervulden hun zonen geen dienstplicht, noch in Frankrijk, noch in het land van herkomst. Een ontevreden arbeidersmassa was potentieel gevaarlijk – denk maar aan de opkomst van het socialisme – en kon maar beter gesust worden met enkele protectionistische maatregelen. De Franse nationale arbeidsmarkt werd als gevolg hiervan afgeschermd van ‘vreemde concurrentie’, waaronder men zowel goederen als arbeidskrachten begreep.

Een nieuwe vreemdelingenwet

In oktober 1888 decreteerde Parijs dat elke vreemdeling bij aankomst in Frankrijk twee weken de tijd had zichzelf en zijn gezin kenbaar te maken bij de lokale autoriteiten. De procedure werd herhaald telkens de vreemdeling zich elders in Frankrijk vestigde. De nieuwkomer betaalde een registratiekost, die in de volksmond al gauw werd omgedoopt tot ‘vreemdelingentaks’. Tot grote ontzetting van duizenden Belgen in Frankrijk werkte het decreet retroactief: ook zij moesten zich melden op het stad- of gemeentehuis, ongeacht de duur van hun vestiging in het land. Deze groep migranten klaagde de nieuwe regeling tevergeefs aan.

In 1893 werd het verstrengde decreet in wet gegoten (de loi du séjour des étrangers). Niet-Franse mannen én vrouwen die woonden en werkten in Frankrijk werden verondersteld zich opnieuw en individueel aan te melden bij de lokale autoriteiten. De registratiekost van de procedure werd ook deze keer op de vreemdelingen verhaald. De wet gold ook voor seizoensarbeiders, maar nog niet voor grensarbeiders. Op deze laatste groep kreeg men pas greep met de algemene invoer van het individuele paspoort in 1917.

Als gevolg van de richtlijnen van 1888 en 1893 omtrent de verplichte vreemdelingenregistratie bewaren de meeste Franse gemeenten ellenlange lijsten met persoonlijke gegevens van vreemdelingen gevestigd op hun grondgebied. Een samenvatting van die gegevens werd aan de prefectuur gerapporteerd. Deze gaf alles door aan de bevoegde ministeriële instanties.

Kiezen is verliezen

Vrijheid, gelijkheid, broederschap: met dit devies sloopte de Franse Revolutie de muren van de traditionele standenmaatschappij. Maar meteen begon ook een nieuwe denkoefening: voor wie golden die kernwaarden? Voor de eigen nationale burgers natuurlijk. Dat waren individuen die waren geboren uit een Franse vader (ius sanguinis). Maar wat te doen met vreemdelingen? Wanneer konden die als nationale burgers worden beschouwd? Vanaf Napoleon was behalve de bloedlijn ook de geboortegrond een bepalende factor in de Franse nationaliteitswetgeving (ius soli). Vreemdelingen werden in twee categorieën ingedeeld: wel en niet geboren in Frankrijk.

We beginnen met de groep vreemdelingen die waren geboren op Frans grondgebied. In Noord-Frankrijk ging het meestal om zonen en dochters van Belgische migranten die zelf heel weinig van doen hadden met België, het land van hun ouders. Sinds het burgerlijk wetboek van Napoleon uit 1804 konden nakomelingen van (mannelijke) vreemdelingen, geboren in Frankrijk, op basis van artikel negen de Franse nationaliteit aanvragen bij hun meerderjarigheid. Maar veel Belgische migrantenjongeren deden dit niet. Zij bleven Belg in Frankrijk en ontliepen zo de zware Franse dienstplicht: een ‘recht’ voorbehouden aan Franse burgers.

Naturalisatiemogelijkheden en -verplichtingen

Parijs zag met lede ogen aan hoe in het noorden van het land een groep vreemdelingen officieel niet tot haar burgers behoorde, maar wel geboren en getogen was in Frankrijk. Om deze jongeren in te schakelen in het systeem, werd in 1851 de redenering van de code Napoléon omgedraaid. Kinderen van migranten kregen vanaf dat moment sowieso de Franse nationaliteit bij hun meerderjarigheid, tenzij ze die expliciet weigerden. In 1874 werd de procedure bemoeilijkt door de bureaucratische eisen te verzwaren. Toch bleven Belgische migrantenjongeren de nationaliteit van hun voorouders aanhouden, voornamelijk om de dienstplicht te ontduiken. In 1889 was de maat vol. Niet lang na de verplichte vreemdelingenregistratie van 1888 werd een nieuwe nationaliteitswetgeving ingevoerd. Derdegeneratiemigranten werden verplicht Frans; tweedegeneratiemigranten konden nog steeds weigeren maar deden dit opvallend minder dan voorheen. Door de introductie van de vreemdelingentaks en andere discriminerende maatregelen was het aanhouden van de Belgische nationaliteit niet langer aantrekkelijk. Er ontstond een breed gedragen trend om de Franse nationaliteit aan te nemen.

Voor eerstegeneratiemigranten was die naturalisatie niet evident. Zij behoorden immers tot de groep vreemdelingen die niet geboren waren op Frans grondgebied. Om de Franse nationaliteit te verkrijgen, moesten zij hun loyauteit bewijzen. In oorlogstijden kon dit letterlijk door deel te nemen aan de strijd: zo werden heel wat Fransgezinde vreemdelingen na de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) beloond voor hun inzet met de Franse nationaliteit. Een dertigtal jaar eerder had ook het regime van de Tweede Republiek (1848-1852) de naturalisatieprocedure versoepeld ter beloning van de vele vreemdelingen binnen haar rangen. Wegens overweldigend succes werden die verruimde naturalisatiemogelijkheden spoedig terug afgeschaft. In plaats daarvan voerde de Tweede Republiek in 1849 een tweeledige naturalisatieprocedure in, bestaande uit een ‘kleine’ en een ‘grote’ naturalisatie. Het vereiste ‘bewijs van loyauteit’ werd vanaf dan financieel begrepen, want voor elke procedure moest een smak geld worden neergeteld.

'Kleine' en 'grote' naturalisatie

Met de ‘kleine naturalisatie’ of de admission à domicile kende Parijs aan een individuele vreemdeling een deel van de Franse burgerrechten toe (waaronder het recht zich officieel te vestigen in Frankrijk, vandaar de naam), maar níet de Franse nationaliteit. Burgerschap en nationaliteit waren tot 1889 onderscheiden statuten. De Franse nationaliteit kon men pas verwerven na een wachtperiode van drie tot tien jaar en het doorlopen van een tweede, dure procedure. Deze zogenaamde ‘grote naturalisatie’ was het terrein van de vermogende bourgeoisie, aan wie Frans worden zakelijke en politieke perspectieven bood. De meeste Belgische migranten gingen niet verder dan de eerste procedure. Het tussenstatuut van de admission à domicile bood twee belangrijke zekerheden in het dagelijks leven: vooreerst hoefde men de dienstplicht niet te verrichten, want die was voorbehouden aan wie de Franse nationaliteit bezat. Maar daarnaast kon men ook niet zomaar het land worden uitgewezen, in tegenstelling tot vreemdelingen die enkel over een verblijfsvergunning beschikten. De admission à domicile mag niet worden verward met de déclaration de résidence. De ingewikkelde nationaliteitswetgeving bracht een uitgebreide administratie met zich mee, die kan worden geraadpleegd door geïnteresseerde – en geduldige – onderzoekers.

De Derde Republiek (1870-1945) maakte in 1889 komaf met de kleine naturalisatie als levenslang tussenstatuut. De naturalisatieprocedure was nog steeds tweeledig, maar wie begon met de ‘kleine naturalisatie’ werd verplicht na zijn wachtperiode ook de procedure van de ‘grote naturalisatie’ te doorlopen. Indien die dat niet deed, verloor die het statuut van admis à domicile en werd die juridisch gezien opnieuw een vreemdeling. Na de Eerste Wereldoorlog werd deze naturalisatiewetgeving enigszins versoepeld om vreemde landbouwers die de bedrijven van gesneuvelde Franse mannen hadden overgenomen, aan het land te binden. De ingeweken Belgische boeren, verspreid ten noorden van Parijs, in Normandië en in de Loirestreek, konden vanaf 1927 reeds na drie jaar verblijf in Frankrijk de Franse nationaliteit aanvragen. Het bood een toekomst voor henzelf en hun kinderen, die zich aanpasten aan de Franse maatschappij.

  • Bronnen gelinkt aan dit hoofdstuk

  • Meer weten?

    • Derainne, Pierre-Jacques et al. Les étrangers en France: Guide des sources d’archives publiques et privées, XIXe-XXe siècles. Parijs: Archives nationales, 1999.
    • Lentacker, Firmin. La frontière franco-belge: Étude géographique des effets d’une frontière internationale sur la vie de relations. Lille: Morel et Corduant, 1974. > Het standaardwerk over Belgische migratie naar Noord-Frankrijk.
    • Papin, Kristof. “Wanorde scheppen waar orde heerst: Over hoe archieven in Frankrijk werden geklasseerd.” Westhoek 28, nr. 2 (2012): 229-249. > Een goede bron voor de indeling van archieven in Frankrijk.
    • Vanden Borre, Saartje et al. Vreemden op vertrouwd terrein: Het sociaal-culturele leven en de integratie van Belgische migranten in het Noorden van Frankrijk (1850-1914). Gent: Academia Press, 2012. > Een Nederlandstalig boek met onder andere een hoofdstuk over nationaliteitswetgeving, specifiek toegepast op Belgische migranten in Frankrijk.
    • Weil, Patrick. Qu’est-ce qu'un français? Histoire de la nationalité française depuis la Révolution. Parijs: Grasset, 2005. > Het standaardwerk over de Franse nationaliteitswetgeving.

Welk verhaal heeft jouw familie te vertellen?

Ga op zoek naar jouw familiegeschiedenis aan de hand van ons stappenplan
en ontdek de spannende verhalen van jouw voorouders.

Download hier onze toolkit!