3. Vluchtelingen in Nederland

Auteur: Maite De Beukeleer

Overzicht: 

Op de vlucht
Het onthaal in neutraal Nederland
De leefomstandigheden in de vluchtoorden
Naar school in Nederland
Werken in en rond de vluchtoorden
Terugkeer

Toen de Duitsers Antwerpen belegerden, vluchtten vele inwoners naar Nederland, samen met de vluchtelingen die hadden gehoopt veilig te zijn in Antwerpen. Ook de soldaten die zich niet op tijd konden terugtrekken, staken de grens over. Omdat Nederland neutraal was, moest het land de militairen ontwapenen en in kampen interneren. Ook de gewone burgers werden naar vluchtoorden gestuurd. Het leven was niet overal even aangenaam, maar veel soldaten hadden het geluk dat hun gezinnen hen achterna gingen. Ongeveer 105.000 vluchtelingen zouden doorheen de hele oorlog in Nederland verblijven.

Op de vlucht

De eerste Belgische vluchtelingen kwamen vlak na de Duitse inval in Nederland aan. De angst voor het wangedrag van de Duitse soldaten joeg gezinnen in het Noorden van het land naar het neutrale Nederland. De grote vluchtelingenstroom kwam op gang tijdens het Beleg van Antwerpen, tussen 28 september en 10 oktober 1914. Inwoners van Antwerpen en vluchtelingen die hadden gehoopt veilig te zijn in de stad, vluchtten in allerijl naar onze Noorderburen. Velen onder hen deden dit via de Schelde. In enkele dagen tijd vluchtte ongeveer 1 miljoen Belgen naar Nederland. Dit aantal nam echter vrij snel terug af: vluchtelingen keerden terug naar huis of vertrokken naar Engeland. Ongeveer 105.000 vluchtelingen verbleven de hele oorlog in Nederland.

Tijdens het Beleg van Antwerpen verlieten de militairen de stad, maar 2000 Britse en 20.000 Belgische militairen slaagden daar niet in. Zij zagen geen andere uitweg dan vluchten naar Nederland. Nederland was in 1914 echter neutraal en mocht dus geen kant kiezen. Het land was er daarom volgens de internationale afspraken ook toe verplicht om de Belgische en Britse soldaten te ontwapenen en hen te interneren. 40.000 militairen brachten de oorlogsjaren door in opvangkampen, maar ongeveer 7000 van hen konden vermomd als burger ontsnappen naar het Verenigd Koninkrijk. Zij konden terugkeren naar het Belgische leger. Tot op vandaag worden de militairen in de kampen vaak als deserteurs beschouwd.

Een tweede vluchtelingenstroom kwam op gang op het einde van 1914. Deze bestond voornamelijk uit vrouwen en kinderen van geïnterneerde soldaten, die bij hun echtgenoot en vader wilden zijn. In 1918 werden 6640 van zulke families geteld. Halverwege 1915 droogde de vluchtelingenstroom op. De zogenaamde Dodendraad – een elektrische schrikdraad aan de grens tussen België en Nederland die in 1915 werd geplaatst – legde het grensverkeer grotendeels stil. De Belgische arbeiders die de draad mee opstelden, wisten geregeld te ontsnappen, maar wie na de voltooiing nog wilde oversteken, werd geëlektrocuteerd of neergeschoten.

Vluchtelingen Nederland
Jozef Emiel Borrenbergen: Een vluchtelingenkamp aan de Nederlandse grens zorgt voor de eerste opvang van de vluchtelingen, 7-9 oktober 1914. Antwerpen: FelixArchief.

Het onthaal in neutraal Nederland

Nederland was neutraal, maar daarom niet onverschillig. Vanaf augustus 1914 richtten particulieren verschillende hulpcomités op. Het bekendste was het Nederlandsch Comité tot steun aan Belgische en andere slachtoffers (later het Amsterdam Comité). Uiteindelijk zou het Nederlandsch Comité onder leiding van een Centrale Commissie van de overheid komen te staan. Wie familieleden uit het oog verloor, kon bij deze Centrale Commissie aankloppen. In totaal werden 30.338 aanvragen gedaan om 91.783 personen te zoeken. Meer dan een derde daarvan werd teruggevonden.

De gevluchte soldaten mochten niet vrij rondlopen in Nederland. Zij werden naar vluchtoorden gebracht, waar ze het einde van de oorlog afwachtten. Er waren vijf zulke opvangplaatsen voor hen, namelijk in Alkmaar, Amersfoort, Harderwijk, Groningen en Oldebroek. Bij Amersfoort werd ook een kamp voor de families van de militairen gebouwd, namelijk Elisabethdorp. Ook de burgers werden in vluchtoorden ondergebracht: in Nunspeet, Ede, Amersfoort, Bergen op Zoom, Roosendaal, Tilburg, Hontenisse, Baarle-Nassau, Amsterdam, Scheveningen, Oldebroek en Veenhuizen. Naar welk kamp een vluchteling ging, was afhankelijk van hun sociale achtergrond. De overheid verdeelde hen in drie categorieën: de “ongewenste elementen” zoals asocialen, kleine delinquenten en prostituees; de “minder gewenste elementen”, namelijk de arbeiders; en de “fatsoenlijke elementen” ofwel de burgerij. De fatsoenlijke elementen mochten vaak buiten het vluchtoord wonen en bleven gespaard van overheidsbemoeienissen. Vanaf halverwege 1915 kende de Nederlandse overheid ook een bijzonder statuut toe aan vluchtelingen uit hogere klassen die door de oorlog niet meer voor zichzelf konden zorgen, de zogenaamde “pauvres honteux”. Dankzij dit statuut kregen zij een toelage en mochten ook zij buiten het kamp wonen.

Het was echter niet gemakkelijk voor Nederland om de Belgen op te vangen. Al op 12 oktober 1914 riep de Nederlandse overheid de hulp in van het Antwerpse stadsbestuur. Dankzij onderhandelingen tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetter konden tienduizenden Belgen eind 1914 naar huis terugkeren. Andere vluchtelingen kregen de kans om in Groot-Brittannië aan het werk te gaan. Een paar duizend geschoolde werkkrachten lieten de kampen achter zich en staken de Noordzee over. Het ging voornamelijk om dokwerkers, spoorwegarbeiders, metaalbewerkers en mijnwerkers.

Ondanks het feit dat de Belgen vaak afgescheiden van de lokale bevolking leefden, verliep de integratie niet altijd even vlot. De afwijkende Belgische gewoonten stootten in Nederland vaak op weerstand. Zeker in strenge calvinistische dorpen werd met argusogen naar de vluchtelingen gekeken. In Gouda wilde men in 1915 de kermis niet laten doorgaan uit vrees voor problemen met de vluchtelingen, die naar Nederlandse normen niet al te zedelijk leefden.

De leefomstandigheden in de vluchtoorden

De leefomstandigheden van de Belgen in de vluchtoorden waren over het algemeen niet al te best. Zelfs in Ede, dat bekend stond als het beste vluchtoord, werd er geklaagd over het eten en de verwarming. Het militaire regime, het verlies van vrijheid en het besef dat je sociale achtergrond bepaalde in welk kamp je terechtkwam, zorgden ervoor dat de Belgen afkerig stonden tegenover zo’n verblijfsplaats. Dat de levenskwaliteit er ook nog eens slecht was, maakte hen alleen meer ontevreden. Er werd geklaagd over tocht en lekken, slechte sanitaire voorzieningen, het eten… In het militaire kamp van Harderwijk werden de bewoners zelfs ziek. Longontstekingen, mazelen, cholera en de Spaanse griep tierden er welig. In kamp Zeist bij Amersfoort kwamen de bewoners op 2 en 3 december 1914 in opstand tegen de slechte leefomstandigheden en het strenge regime, met acht doden en 18 gewonden tot gevolg. Na deze opstand zorgde de leiding van het kamp ervoor dat de leefomstandigheden verbeterden en het regime minder streng werd.

Toch waren er ook veel voorzieningen die de situatie van de Belgische vluchtelingen aangenamer maakten. Zo waren er in veel vluchtoorden een kerk en een ziekenhuis/-zaal. Er werd gedacht aan barakken met praktische voorzieningen zoals een keuken en waszaal, maar ook aan post- en wisselkantoren. De Belgen konden meestal hun inkopen doen in winkels in het kamp, en ook ontspanningsmogelijkheden waren aanwezig in enkele vluchtoorden. In Harderwijk konden de bewoners bijvoorbeeld naar de bibliotheek, de schouwburg of zelfs de cinema, en richtten ze hun eigen verenigingen op. Tenslotte werden ook eigen kranten uitgegeven, waaronder het Belgisch Dagblad.

Naar school in Nederland

Ook aan de kinderen werd gedacht. Veel kampen hadden een eigen schooltje. In Gouda was er zelfs leerplicht voor jongens en meisjes. Kleuters mochten er naar de kleuterschool, en wie wilde kon er zelfs een vakopleiding volgen. In Harderwijk leerden 5968 mensen lezen en schrijven tijdens een grote alfabetiseringscampagne, en in Kamp Zeist bij Amersfoort werd na de opstand een werkschool opgericht voor de militaire bewoners. In 1914 werden in Amsterdam twee Belgische scholen opgericht op initiatief van Aberik Deswarte, een gevluchte advocaat. In december 1914 vertrokken veel vluchtelingen uit Amsterdam naar het vluchtoord Nunspeet, naar Engeland of terug naar België. Eén van de scholen verhuisde in die tijd mee naar Nunspeet.

Werken in en rond de vluchtoorden

Onder de Belgische vluchtelingen was een hoge werkloosheidsgraad. Om dit probleem te verhelpen, richtten verschillende liefdadigheidsinstellingen de Rochefeller Foundation op. Die organisatie opende in een 30-tal steden confectieateliers, waar werkgelegenheid was voor meer dan 5000 Belgische arbeiders. Vanaf april 1915 mochten de bewoners van kamp Zeist bij Amersfoort de werkplaatsen innemen die vrijgekomen waren door de oorlog. In 1916 werd daar, naast kamp Zeist voor de militairen en Elisabethdorp voor hun gezinnen, een derde vluchtoord gebouwd. Daar konden de Belgische militairen die buiten kamp Zeist werk vonden, wonen met hun gezin. Ze moesten zich eenmaal per dag aanmelden in kamp Zeist, maar stonden niet meer onder het strenge regime. Wanneer ze echter hun werk verloren, moesten ze zonder gezin terugkeren naar kamp Zeist.

Vluchtoord
Machineruimte in vluchtoord Ede, n.d. Brussel: Algemeen Rijksarchief. © AGR-ARA

Terugkeer

Al in 1914 keerden tienduizenden Belgen in Nederland weer naar huis, nadat de Belgische overheid dit onderhandeld had met de Duitse bezetter. Duizenden anderen waren reeds naar Groot-Brittannië gereisd. Vluchtelingen gingen er werken en soldaten staken de Noordzee over om te ontsnappen aan de slechte omstandigheden in de vluchtoorden of om zich terug bij het Belgische leger aan te sluiten, in plaats van werkloos het einde van de oorlog af te wachten in Nederland. Van de 1 miljoen vluchtelingen die er in 1914 in Nederland leefden, zouden er maar 105.000 tot 1918 blijven. Na de Wapenstilstand keerden zij bijna allemaal terug naar huis. Zij kregen een vrijgeleide of laissez-passer: een document dat hen de toestemming gaf om de grens over te steken.

  • Meer weten?

    Nuttige websites en literatuur:

    • Bos-Rops, Y. “De commissaris en de vluchtelingen.” In Brabant en de Eerste Wereldoorlog, red. Henk van der Linden, Pauline Onderwater en Tom Sas: 209-227. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt, 2016.
    • Bossenbroek, Martin Philip en Kruishoop, J. B. C., red. Vluchten voor de Groote Oorlog: Belgen in Nederland 1914-1918. Amsterdam: Bataafsche Leeuw, 1988.
    • Databank oorlogsvluchtelingen in Nederland > De Nederlandse Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog (SSEW) en Familiekunde Vlaanderen sloegen in 2014 de handen in elkaar om een databank op te stellen van Belgische vluchtelingen die na 1915 in Nederland verbleven.
    • De Roodt, Evelyn. Oorlogsgasten: Vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zaltbommel: Europese Bibliotheek, 2000.
    • Reijngoudt, A. “Belgische vluchtelingen in 1914 naar Nederland.” > Lezing gepubliceerd op de website van Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog (SSEW).
    • Vluchtelingen in Nederland 1914-1918 > Een uitgebreide Nederlandse website gewijd aan de Belgische oorlogsvluchtelingen, met talrijke links en artikels o.a. over de kampen/vluchtoorden.
    • Wijgergangs, Hans. “Belgische vluchtelingen: in Nederland 1914-1918” > Een online dossier op de website van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) belicht de Belgische kunstenaars die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland verbleven.

     

    Regio-specifieke informatie:

    • Belgen gezocht > Een projectwebsite gewijd aan de sporen die de Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben achtergelaten in en rond Amersfoort. Je vind er o.a. foto’s, kranten en gezinskaarten van toen.
    • Bemelman, Laura. “Belgische burgervluchtelingen in Lisse: Eerste Wereldoorlog, 1914-1918.” > Een publicatie op de website van de historische vereniging Oud Lisse, uitgaand van de Werkgroep Genealogie.
    • Stadsarchief Amsterdam > Het Amsterdamse Stadsarchief digitaliseerde de bevolkingsregisters voor een tijdelijk verblijf, waarin ook de Belgische oorlogsvluchtelingen werden opgenomen. Je kan hier zoeken op naam. Het digitaliseerde ook het archief van de Tijdelijke Afdeling en Centrale Commissie voor de Belgische Uitgewekenen, hier. Het Stadsarchief bouwde de projectwebsite Amsterdam en de Eerste Wereldoorlog, met o.a. verhalen over de levensomstandigheden van de Belgische oorlogsvluchtelingen.
    • Interneringsdepot Gaasterland > Op deze website vind je een namenlijst terug van Belgische soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Gaasterland in Friesland geïnterneerd werden.
    • Uden-Archief > Een website met informatie over het Vluchtoord Uden. Informatie over Belgische vluchtelingen in het vluchtoord Uden is ook te vinden in het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC).
    • Regionaal Archief Tilburg > Het Regionaal Archief Tilburg doet onderzoek naar de talloze vluchtelingen die in Tilburg verbleven. Hun gegevens staan op diverse registratiekaarten uit die tijd. Vrijwilligers van het Regionaal Archief voeren de persoonsgegevens in een databank in, met hulp van vrijwilligers van Stadsarchief Turnhout en Erfgoedcel Noorderkempen.
    • Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe > Enkele vluchtoorden voor Belgische vluchtelingen in Nederland waren gelegen in Noordwest-Veluwe, namelijk in Harderwijk en in de omliggende kampen in Nunspeet, Oldebroek, Ermelo en Elburg. Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe heeft verschillende lijsten van vluchtelingen getranscribeerd en online geplaatst.
    • Zeeuwen Gezocht > Deze databank van het Zeeuws Archief bevat talloze gegevens over personen die ooit in Zeeland woonden, werkten of verbleven, waaronder de Belgische oorlogsvluchtelingen. Het gaat om ongeveer 50.000 inschrijvingen in 49 (voormalige) gemeenten. Er waren drie soorten registraties: registratie van verblijf, registratie van ondersteuning en gedrukte lijsten. De beschikbare gegevens verschillen per registratiewijze.

     

    Waardevolle bronnen:

    • Archief van het Centraal Vluchtelingen Comité, 1914-1922 > Eind oktober 1914 richtte het Nederlandse ministerie van Binnenlandse Zaken het Centraal Vluchtelingen Comité op, dat Belgische vluchtelingen voorzag van huisvesting en voeding. Het archiefbestand bevindt zich in het Nationaal Archief. Het is onvolledig, maar bevat waardevolle informatie om vluchtelingen terug te vinden, zoals brieven en namenlijsten. De inventaris kan je hier raadplegen.
    • Archieven van de Generale Staf > Deze archieven worden bewaard in het Nationaal Archief. Je vindt er documenten over opvang en huisvesting van vluchtelingen, over de internering van militairen en over het vertrek van Belgische vluchtelingen naar. De inventaris kan je hier raadplegen.
    • Vrijgeleiden: Officieel Belgisch Comité voor Nederland > Er bestaat geen volledige lijst van de Belgische vluchtelingen in Nederland. Toch kunnen velen onder hen teruggevonden worden via de vrijgeleiden die hen in 1919 werden toegekend om de Nederlandse grens over te steken en terug te keren naar België. Je kan de lijst raadplegen in de zoekrobot Zoeken naar personen bij Akten het project Vrijgeleiden te selecteren. Aan de personen zijn verschillende gegevens gekoppeld, met vaak ook een foto. Dankzij deze vrijgeleiden kan je nagaan waar iemand tijdens de oorlog verbleef: dat is een goed startpunt om verder in lokale archieven te zoeken.

Welk verhaal heeft jouw familie te vertellen?

Ga op zoek naar jouw familiegeschiedenis aan de hand van ons stappenplan
en ontdek de spannende verhalen van jouw voorouders.

Download hier onze toolkit!